Kwelderlandschap en wierden
Rond
700 v. Chr. ontstond in het Groningse kustgebied door opslibbing een kwelderlandschap, dat was opgebouwd uit
zandige en zavelige kwelderwallen, doorsneden door
een stelsel van geulen en prielen. Ten gevolge van afname van overstromingen en
zoeter worden van het milieu ontwikkelde zich hier vegetatie, zodat mensen zich
er konden vestigen.
De eerste bewoners, afkomstig van de Drentse zandgronden, vestigden zich bij
voorkeur op de hoogste plaatsen van de kwelderwallen van de Hunze
en Fivel, bij voorkeur in de nabijheid van
doorbraakgeulen.
Tussen de riviermondingen van de Hunze en Fivel lag een door kwelderwallen omgeven kwelderbekken,
waarin nog een restant land van een veel ouder veengebied. Aan de oost- en
westzijde waterde deze zgn. Hunze-Fiveldepressie via
een aantal geulen af naar zee.
Zo liep er aan de westzijde, tussen Winsum en
Obergum, een geul in westelijke richting, ongeveer waar nu het Winsumerdiep en Oude Diep lopen. Aan de oostzijde vond
afwatering plaats via een geul bij Westeremden. In de
12e eeuw zijn beide westelijke en oostelijke afwateringsgeulen door
een kanaal met elkaar verbonden, zodat de Deel of Delf ontstond (Winsumerdiep-Boterdiep).

In 6e eeuw v. Chr. namen de overstromingen weer toe, zodat de
kwelderwal, waarop van zuid naar noord
Adorp-Sauwerd-Wetsinge-Valkum-Tijum-Bellingeweer-Winsum-Obergum-Ranum-Baflo-Rasquert-Warffum
en Usquert lagen, op diverse plaatsen doorbrak.
Hierdoor werd het achterliggende kwelderbekken vaker overstroomd. De bewoners
reageerden op de toegenomen dreiging van de zee door de, voor dit landschap nu
zo karakteristieke, woonheuvels of wierden op te werpen. Vanaf deze tijd tot ca. 1000 na Chr. ontstonden in en om Winsum
aldus de volgende wierden: Valkum,
Tijum, Bellingeweer, Ripperdawierde, Winsum (dorp), Winsum (camping), Schilligeham,
Obergum (dorp), Obergum (oostzijde), Luttikhuizen
(afgegraven), Ranum, Ranum-Rodewier,
Ranum-Groenewier, Maarhuizen.
Het kwelderlandschap leende zich bij uitstek voor veeteelt en visserij, terwijl
er op de hogere delen ook landbouw (m.n. gerst en vlas) mogelijk was. De
toenmalige bewoning bestond veelal uit 3-schepige woonstalhuizen,
schuurtjes en simpele hutkommen.
De eerste 1000 jaar van onze jaartelling
Romeinen, volkverhuizing, Karolingers en missionarissen
Hoewel
de Romeinen zich na 47 n. Chr. achter
de Rijn als grens terugtrokken, blijkt o.a. uit diverse archeologische vondsten
van munten, aardewerk, glas e.d. dat er regelmatig handelscontacten bestaan
hebben tussen de bewoners van het Groninger kustgebied en de legioenen in het
zuiden. Van echte zgn. ‘romanisatie’, zoals in het
zuiden, is hier echter geen sprake geweest.
Ten tijde van de Volksverhuizing
kreeg het noordelijk kustgebied t.g.v. een nieuwe,
zgn. transgressiefase, weer te maken met wateroverlast. Door herhaalde
overstromingen slibde het kustgebied zo hoog op dat de afwatering naar zee
stagneerde en de mondingen van de Hunze en Fivel verder toeslibden. Hierdoor
werden de bochten (meanders) in deze rivieren groter en taltijker.
Op grond van het geringe aantal vondsten uit deze periode moeten we aannemen
dat veel bewoners van de kwelderwallen het steeds drassiger
gebied verlieten. De blijvers, o.a. te Winsum, moeten
zeker tot in de 6e eeuw in armoede hebben geleefd.
Gelukkig nam tussen 600 en 800 n. Chr. de begroeiing van het kweldergebied weer
toe, waardoor het land weer beter bewoonbaar werd. Uit deze periode dateren dan
ook de oudst geschreven berichten, waaruit blijkt dat er in het kustgebied reeds met naam genoemde streken (o.a. Middag en Humsterland) en in cultuur gebrachte landgoederen aanwezig
waren.
Kort nadat het Groningse kustgebied door Karel de Grote aan zijn rijk was toegevoegd, zette wederom een volgende
transgressiefase in, die tot ca. 1000 zou voortduren. Hierdoor slibde de oude
monding van de Hunze (rond Pieterburen)
verder dicht en ontstond via een westelijke geul de uitwatering naar het
Lauwersmeer en de Waddenzee. De monding van de Fivel
slibde in deze periode geheel dicht.
Doordat het kustgebied sedert de tweede helft van de 8e
eeuw deel ging uitmaken van het grote Karolingische rijk, kon ook in deze
streken, zij het aanvankelijk moeizaam (vgl. Bonifacius
bij Dokkum vermoord in 754), de kerstening ter hand
worden genomen. Bonifacius’ pionierswerk zal ca. 800
worden voortgezet door Liudger, wiens
kersteningsarbeid ook voor Winsum
en omstreken van grote betekenis is geweest. Doordat Liudger
later bisschop werd van Münster behoorde het grootste
deel van de Ommelanden tot dit bisdom.
Rondom het jaar 1000
Gedurende
de 11e en 12e eeuw, toen de invloed van de zee afnam,
moet de bevolking in en om Winsum weer aanzienlijk
zijn toegenomen. Grote stukken kwelderland werden nu omdijkt,
al bleef men aanvankelijk nog wel wierden opwerpen (Obergum-oost), die overigens vaak onbewoond waren (zgn.
groene wierden; vgl. Ranum-Groenewier).
Omdat de Hunze zeker tot Winsum
goed bevaarbaar was en de Fivel verzandde, moet de
handel via de zeevaart voor het dorp belangrijk zijn geworden. Hierbij speelde
wellicht de landweg tussen Winsum en Westeremden (NB. de Munsterweg is wellicht nog een
restant), die een belangrijke verkeersader was vanuit Fivelingo
naar de zee, een rol van betekenis. Het is dan ook zeer waarschijnlijk dat zich
te Winsum-Obergum een nederzetting van kooplieden
ontwikkelde. Hierop wijzen o.a. de volgende zaken:
Op de plaats van de huidige Ripperdaheerd, die op zijn beurt weer de opvolger is van de oostelijke Ripperdaborg, moet in deze tijd een ‘voorwerk’ van de abdij Werden zijn verrezen, van waaruit de monniken sedertdien het Winsumse bezit beheerden.
Van de hoge middeleeuwen tot ca. 1900
Gedurende
de 11e tot 14e eeuw wordt de geschiedenis van Winsum en Obergum in belangrijke mate bepaald door de rol
van de kerk en de kloosters. Naast het Werdense voorwerk,
dat in 1283 werd overgedragen aan de Johannieters te Warffum,
bezaten diverse kloosters (o.a. Aduard, Essen, Wijtwerd) hier meer of minder uitgestrekte landerijen.
Blijkbaar was er in Winsum in de 13e eeuw
nog zoveel doorgaand handelsverkeer dat er in 1276 een klooster gesticht werd
door de Dominikanen, een kloosterlijke bedelorde, die
zich gewoonlijk in steden vestigde. Dit Jacobijnen-
of Predikherenklooster, dat zich op een nog steeds onbekende plek in het
centrum van Winsum (Molenstraat) bevond, zou eerst
300 jaar later ten tijde van de Reductie (1594) uit het dorp verdwijnen. Het
betrekkelijk geringe grond- en huizenbezit werd toen, met alle landerijen van
de andere kloosters, door het provinciebestuur aan zich getrokken.
Vanaf het eind van de 15e eeuw dateren de berichten over een viertal
geslachten, t.w. Onsta, Tamminga,
Ewsum en Ripperda, die in
en om Winsum in bezit zijn van edele heerden en rechten. Deze families en hun directe
rechtsopvolgers (m.n. de stad Groningen) zouden tot aan de Franse tijd (1795)
het rechtsbestel en een groot deel van het dagelijks
leven in beide dorpen bepalen. Nog in de 15e eeuw bouwden zij twee
borgen, t.w. de Ripperdaborg en de Tammingaborg (bij Bellingeweer).
De Ripperda’s wisten aan het
begin van de 16e eeuw bovendien de hand te leggen op het vroegere Werdense voorwerk, waar een tweede Ripperdaborg
verrees (Ripperdaheerd).
De beide Ripperdaborgen met landen en rechten zouden
echter na de rumoerige jaren aan het eind van de 16e eeuw in handen
komen van de stad Groningen, die beide gebouwen volledig liet slopen. Winsum werd weer een in hoofdzaak agrarisch dorp, omdat het
stapelrecht van de stad iedere handel of nijverheid verhinderde.
Te Obergum werden in de 17e eeuw nog twee, minder belangrijke,
borgen gebouwd, t.w. Blauwborg en De Brake (met een
eigen tichelwerk).
De 17e en 18e eeuw in deze omgeving worden gekenmerkt
door een betrekkelijke rust en een bloei in de landbouw (m.u.v. de depressie
tussen 1670-1760), al had de veeteelt regelmatig zwaar te lijden onder de
veepest.
Ook de Franse tijd (1795) heeft, naast de eerste democratische vernieuwingen
(vgl. onderwijs, bestuur, armenzorg e.d.) voor de landbouw en nijverheid veel
goeds opgeleverd.
Grote veranderingen op allerlei gebied zullen zich gaan voordoen in de 19e
eeuw, vgl. de komst van de stoommachine, de aanleg van spoor-, tram- en
waterwegen en verharde landwegen. In de landbouw en veeteelt zette door deze
ingrijpende veranderingen een fase van mechanisering in. Binnen de nijverheid
ontwikkelde zich de eerste industrieën, zoals bv. de
melkfabriek en de steenfabriek (Lombok) te Winsum.
STRUCTUUR VAN DE DORPSKERNEN
Structuurbepalende factoren
Uit
de boven gegeven schets van de geschiedenis van Winsum
en Obergum moge duidelijk zijn dat er tijdens de ontwikkeling van de bebouwing
en het wonen gedurende deze vele eeuwen in Winsum en
Obergum velerlei factoren een rol hebben gespeeld. Wisselende natuurlijke
omstandigheden, variabele middelen van bestaan, ingrepen van bestuurlijke aard
en organisatie, oorlogen en rampen, al deze zaken hebben ertoe geleid dat het
21e-eeuwse beeld van de wierdedorpen zeer
variabel is geworden.
De rondom Winsum gelegen wierden,
Ranum, Maarhuizen, Tijum en
Valkum, hebben weliswaar nog steeds hun agrarische
functie behouden, maar hebben tegelijkertijd door afgravingen in de 19e
en 20e eeuw veel van hun vroegere omvang en structuur verloren. Zo
werd ook de structuur van de wierde Bellingeweer, die grotendeels bepaald werd door de nabij
gelegen Tammingaborg, teniet gedaan, doordat een
aanzienlijk deel van het borgterrein verdween onder 20e-eeuwse
uitbreidingen (NB. Momenteel worden ook de Obergumer
borgplaatsen van de Blauwborg en De Brake door
uitbreiding bedreigd).
Hoewel Winsum en Obergum zeer dicht bij elkaar liggen,
verschillen beide dorpen aanzienlijk.
Op de foto:
Aan de noordkant van het Winsumerdiep ligt het oude
dorp Obergum met aan de linkerzijde van Hoofdstraat O. de wierde.
Ten Zuiden van het Winsumerdiep ligt het oude dorp Winsum.
De
structuur van Obergum
De structuur van Obergum wijst in eerste instantie op een agrarische oorsprong.
Het oude dorp is gelegen op een vrijwel ronde wierde,
waarvan het hoogste punt ongeveer in het midden ligt. Daar werd door de
gemeenschap van Obergum in vroegste tijden vergaderd en in de 13e
eeuw de St. Nicolaaskapel gebouwd. De wierde bezit nog een ring- of osseweg
(Onderdendamsterweg-Hoofdstraat-O).
Opvallend is dat het zwaartepunt van de oude bebouwing gelegen is aan de
zuidzijde, tegen het Winsumerdiep (Westerstraat). Daarachter, rond de kerk, is de wierde verkaveld in rechthoekige blokken, die grotendeels
nog in de 19e eeuw een agrarische functie hadden.
Ten oosten van de Hoofdstraat-O treft men nog een
tweede wierde aan, waarop de dichte bebouwing van de Westerstraat langs het Diep wordt voortgezet. Het hoogste
punt van deze wierde ligt ongeveer op de kruising Oosterstraat-Schoolstraat. Vermoedelijk is deze (lagere) wierde opgeworpen aan het eind van de 10e eeuw,
toen zich in Obergum, bij gebrek aan ruimte aan de zuidzijde van het Winsumerdiep, ambachtslieden en handelaren vestigden.
De oudste huizen of huisfragmenten in Obergum dateren in hoofdzaak uit de 18e
(in aanzet) en 19e eeuw.
De structuur van Winsum
In tegenstelling tot Obergum lijkt het stratenpatroon van Winsum
zich nergens aan de grenzen van de wierde te storen.
Een ring- of osseweg is niet (meer) waarneembaar.
Op grond van dit feit veronderstelt men wel dat er in een ver verleden een
onderbreking in bewoning is geweest, hoewel de in Winsum
gedane vondsten eigenlijk alle bewoningsperioden vertegenwoordigen.
Mogelijkerwijs verdween echter omstreeks 800 door overstromingen een kwart van
de wierde (ter hoogte van de scherpe oostelijke bocht
in de Hoofdstraat-W, waar de oever relatief zeer hoog
is).
De ondoorzichtige structuur van het dorp wordt wellicht mede veroorzaakt door
het feit dat tot op heden de exacte plaats van het in
Voorts wordt de structuur en het stratenplan bepaald door het feit dat aan
beide zijden van het dorp grote landgoederen waren. Aan de oostzijde was dit
het voorwerk van de abdij Werden (later in handen van de Johannietercommanderij
te Warffum, en in de loop van de 15e eeuw
van de Ripperda’s). Aan de westzijde verrees in de
loop van de 15e eeuw de westelijke Ripperdaborg
(omgeving Gezondheidscentrum). Toen beide Ripperdaborgen
in het laatste kwart van de 16e eeuw in handen kwamen van de stad
Groningen, werd het dorp voorgoed in zijn expansiemogelijkheden beknot.
Ook in Winsum dateren de oudste huizen of fragmenten
in aanzet hoofdzakelijk uit de 18e en 19e eeuw.
Bron: Uitgave gemeente Winsum en Historische Vereniging Winsum Obergum ter gelegenheid van de open monumentendag 2001